Oorsprong
De Eerste Oorzaak: filosofische bewijzen voor het bestaan van God
De rede leidt tot de erkenning van een onafhankelijke, in zichzelf bestaande bron waarop elk afhankelijk wezen rust.
Inleiding
De menselijke geest is van nature geneigd te zoeken naar uiteindelijke doelen en de raadsels van het bestaan te ontcijferen. Wanneer we dit universum overdenken, treffen we voor ons geen willekeurige verstrooiing van dingen aan, maar een hecht verweven ordening die verloopt volgens nauwkeurige wetten en strenge wiskundige regelmatigheden. De vraag naar het bestaan en zijn oorsprong heeft door de geschiedenis heen de centrale as gevormd waar het filosofische denken omheen draaide, of het nu ging om de oude Griekse filosofie, de islamitische filosofie of de moderne westerse filosofie.
De denkers namen geen genoegen met één enkele wijze van beschouwen; door de eeuwen heen bracht het menselijke verstand een rijke en complementaire erfenis aan bewijzen voort, die voorbijgaat aan oppervlakkige indrukken om af te dalen in de diepten van de metafysica — de wetenschap van wat achter de natuur ligt, die de oorsprong van het bestaan en de werkelijkheden van de dingen buiten het bereik van de zintuigen onderzoekt. In dit artikel zetten we de voornaamste grote rationele bewijzen uiteen die filosofen uit verschillende culturen en tijden hebben geformuleerd en ontwikkeld om de oorsprong van de kosmos en zijn eerste bron te verklaren, waarbij we de uitleg van de begrippen en de mijlpalen van de afzonderlijke filosofen in de loop van de argumenten verweven, zodat de gedachte als een samenhangend en vloeiend geheel leest.
1. Het bewijs uit ontstaan en kosmische causaliteit
Dit bewijs vertrekt vanuit een rationele grondslag en een logische wet, en kreeg de nadrukkelijke aandacht van de moslimtheologen. Een van de meest vooraanstaande onder hen was Abu Hamid al-Ghazali (450–505 n.H. / 1058–1111 n.Chr.), de beroemde islamitische jurist en denker met de eretitel “het Bewijs van de Islam”, die de filosofie diepgaand bestudeerde en haar tendensen bekritiseerde. Ook westerse filosofen namen dit bewijs later over in wat bekend werd als het kalam-kosmologisch argument.
Deze redenering berust op het idee van oorzaak en gevolg: de “oorzaak” wordt gedefinieerd als datgene wat het ontstaan van iets bewerkstelligt, terwijl het “gevolg” het resultaat is dat uit die oorzaak voortkomt — net zoals vuur de oorzaak wordt van het branden, dat er het gevolg van is. Op grond hiervan moet alles wat eerst niet bestond en vervolgens tot bestaan kwam, een oorzaak hebben die het uit het niet-zijn naar het bestaan haalt. En wanneer we het universum overdenken, ontdekken we dat elk deeltje daarin veranderlijk en in beweging is; en het veranderlijke is noodzakelijkerwijs “ontstaan”, dat wil zeggen: het bestond niet en kwam vervolgens tot bestaan. Omdat het universum in zijn geheel niets anders is dan veranderlijke atomen, is het hele universum dus ontstaan en voorafgegaan door het niet-zijn.
Hier grijpt de rede in om te verhinderen wat men de “oneindige regressie” noemt — het onbeperkt terugstrekken van de keten van oorzaken en gevolgen naar het verleden, zonder ooit bij een eerste vertrekpunt uit te komen. Om dit te verduidelijken: stel je een rij vallende dominostenen voor; de laatste steen viel omdat de steen ervoor hem aanstootte, en die viel door toedoen van de steen daarvoor. De rede oordeelt intuïtief dat, als deze keten zonder enig begin naar het verleden zou reiken, de beweging nooit begonnen zou zijn en nooit de steen zou hebben bereikt die nu voor je ligt. Er moet dus een “eerste steen” zijn die de beweging in gang zette zonder door iets te zijn aangestoten. Evenzo kan het universum voor zijn bestaan niet afhankelijk zijn van een keten van oorzaken die eindeloos teruggaat, wat de rationele noodzaak dwingt het bestaan te aanvaarden van een eerste oorzaak, zelfgenoegzaam en niet-ontstaan, die dit bestaan in gang zette. Dit is de eerste rationele stap naar de erkenning van GodGod — uitgesproken ‘al-LAH’ — الله Allah betekent God; het is geen andere godheid, maar het Arabische woord voor de ene God. Arabischsprekende christenen en joden gebruiken het ook. als de onafhankelijke bron van alle bestaan.
2. Het bewijs uit beweging en de Eerste Beweger
De oorsprong van deze gedachtegang gaat terug op de oude Griekse filosoof Aristoteles (384–322 v.Chr.), grondlegger van de logica en auteur van immense bijdragen aan de metafysica en de natuurwetenschappen. Deze weg werd later opgepakt en verder uitgewerkt door de vooraanstaande Italiaanse theoloog en filosoof Thomas van Aquino (1225–1274 n.Chr.), die tot de belangrijkste intellectuele figuren in de geschiedenis van de Kerk wordt gerekend en die sterk leunde op de oude filosofische erfenis om zijn beroemde wegen tot het bewijs van de Maker te formuleren.
Het bewijs vertrekt vanuit de waarneming dat alles in de natuurlijke wereld om ons heen beweegt en verandert. De filosofie definieert beweging hier als “het overgaan van een ding van potentie naar act”. Met “potentie” wordt de latente bereidheid en het vermogen in een ding bedoeld om iets anders te worden, terwijl “act” de verwezenlijking van het ding is, zijn feitelijke intreden in de werkelijkheid. Koud hout bijvoorbeeld bezit de potentie — de bereidheid — om heet te worden; en wanneer we het in brand steken, gaat het feitelijk over in de toestand van warmte.
De hier gevestigde rationele regel luidt dat elk bewegend ding een beweger moet hebben die het van potentie naar act brengt, want een ding kan zichzelf geen eigenschap verlenen die het niet bezit: koud hout brengt niet uit zichzelf warmte voort zonder een externe factor. En als de externe beweger zelf in beweging is, heeft die op zijn beurt weer een andere beweger nodig. Om te voorkomen dat men in de valkuil van een eindeloze regressie belandt, stelt de rede vast dat we moeten uitkomen bij een vaste “Eerste Beweger” — een die zelf niet beweegt, die in een toestand van absolute en voortdurende act verkeert, en die beweging uitstort over het universum zonder er zelf door beïnvloed te worden.
Dit begrip werd later ontwikkeld door de moslimfilosoof Mulla Sadra (979–1050 n.H. / 1571–1640 n.Chr.), een van de belangrijkste denkers van de school van Isfahan en de grondlegger van de Transcendente filosofieTranscendente filosofie — uitgesproken ‘al-HIK-ma al-mu-ta-AA-li-ya’ — الحكمة المتعالية De school van Mulla Sadra, die rationele filosofie, koranische theologie en spiritueel inzicht samenbrengt.. Hij bracht een filosofische revolutie teweeg met zijn theorie van de “substantiële beweging”, waarmee hij aantoonde dat beweging niet alleen in de uiterlijke kenmerken van lichamen zetelt, zoals plaats of grootte, maar dat de diepte en de substantie van de materie zelf op elk moment vernieuwd wordt en in beweging is — wat een voortdurend uitstromende bron vereist die dit steeds vernieuwde bestaan van leven voorziet.
3. Het bewijs uit contingentie en noodzakelijkheid
Dit vernuftige bewijs werd geformuleerd door de moslimfilosoof en -arts Ibn Sina (370–428 n.H. / 980–1037 n.Chr.), gerekend tot de voornaamste geleerden van de Gouden Eeuw van de islam en in het Westen bekend als Avicenna. Westerse filosofen ontvingen het bewijs met instemming en analyse, en een van de meest vooraanstaande die het verder ontwikkelde was de Duitse filosoof en wiskundige Gottfried Leibniz (1646–1716 n.Chr.), uitvinder van de differentiaal- en integraalrekening, die het argument onder het begrip “principe van de voldoende grond” bracht.
Ibn Sina bouwde zijn redenering op door de bestaande dingen, volgens de wijze waarop de geest ze onderzoekt, in te delen in twee duidelijke soorten. De eerste is het “contingente wezen” — het ding waarvan de twee zijden gelijk staan, dat evengoed kan bestaan als niet-bestaan. Zijn bestaan is het niet inherent, maar vereist een externe oorzaak die de balans naar het bestaan boven het niet-zijn doet doorslaan: voorbeelden zijn de mens, de boom en het vliegtuig, die alle niet bestonden, vervolgens tot bestaan kwamen en op een dag zullen vergaan. De tweede is het Noodzakelijk ZijnNoodzakelijk Zijn — uitgesproken ‘WAA-jib al-wu-JOOD’ — واجب الوجود In de islamitische filosofie de werkelijkheid waarvan het bestaan niet afhankelijk is en waaruit alle afhankelijke dingen bestaan ontvangen. — de werkelijkheid waarvan het bestaan uit de eigen essentie ontspringt en waarvan de geest het niet-zijn niet kan denken, omdat dat niet-zijn tot een absolute logische tegenspraak zou leiden.
Vervolgens stelt het bewijs vast dat we in de werkelijkheid contingente wezens waarnemen die geboren worden, sterven en veranderen; en de totale som van deze contingente wezens blijft, hoe groot en uitgestrekt ook, in zichzelf behoeftig en contingent. Als we zouden proberen het bestaan van deze contingente wezens te verklaren door ze in een circulaire keten te plaatsen waarin ze onderling van elkaar afhangen — wat bekendstaat als de rationeel onmogelijke “vicieuze cirkel” (zoals wanneer het bestaan van A afhangt van B, terwijl het bestaan van B tegelijkertijd afhangt van A) — of door ze in een keten te plaatsen die zich zonder einde uitstrekt, dan zou niets ooit de drempel van de loutere mogelijkheid overschrijden naar de bodem van de werkelijkheid, en zou er in het geheel niets bestaan. Bijgevolg is het feitelijke bestaan dat wij vandaag om ons heen tastbaar ervaren een sluitend bewijs dat de keten van contingente wezens eindigt in, en rust op, een volstrekt andere werkelijkheid: een Noodzakelijk ZijnNoodzakelijk Zijn — uitgesproken ‘WAA-jib al-wu-JOOD’ — واجب الوجود In de islamitische filosofie de werkelijkheid waarvan het bestaan niet afhankelijk is en waaruit alle afhankelijke dingen bestaan ontvangen., zelfgenoegzaam in zijn essentie, dat aan al het overige het bestaan schenkt.
4. Het bewijs uit ordening en precisie (intelligent design)
Dit is een van de oudste en meest verspreide bewijzen onder de mensen. De Griekse filosofen formuleerden het, en het werd gehanteerd door de Andalusische moslimfilosoof en rechter Ibn Rushd (520–595 n.H. / 1126–1198 n.Chr.) — in het Westen bekend als Averroës, beroemd om zijn diepgaande commentaren op Aristoteles, wiens denkbeelden een sterke invloed hadden op de Europese Renaissance — die dit bewijs de “naam van de voorzienigheid” gaf. Ook Thomas van Aquino vermeldde het, en natuurkundigen en astronomen hanteren het vandaag onder de benaming “de fijnafstemming van het universum”.
Dit bewijs onderzoekt niet de oorsprong van het bestaan van het universum, maar de wijze van zijn vervaardiging. Stel je voor dat je door een dorre woestijn loopt en een complex mechanisch uurwerk aantreft waarvan de tandwielen en veren in harmonie samenwerken om de tijd te meten; je zou nooit geloven dat de willekeur van zand en wind het bij toeval heeft vervaardigd, want de constructie van het uurwerk wijst onvermijdelijk op een verstandige ontwerper die de wetten van de mechanica en de afstelling van de tijd begrijpt.
Het universum waarin wij leven vertoont een verbluffende wiskundige precisie die het uurwerk miljarden malen overtreft; de natuurkundige constanten, zoals de zwaartekracht en de sterke kernkracht die de atomen bijeenhoudt, zijn met verbijsterende nauwkeurigheid afgewogen. Natuurkundigen bevestigen dat, als één ervan zou veranderen met een oneindig kleine hoeveelheid, in de orde van één deel op de 10⁶⁰, het universum op het moment van zijn ontstaan op zichzelf zou instorten of uiteen zou spatten, en dat noch de sterren, noch de elementen die noodzakelijk zijn voor het ontstaan van leven en bewustzijn, ooit gevormd zouden zijn. Deze fijne harmonie en de samenwerking tussen de delen van de natuur — zoals de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide tussen plant en dier — bewijst op rationele wijze dat het universum verloopt volgens een doel en een bedoeling. Het kan wiskundig niet verklaard worden als een gelukstreffer of blind toeval; het wijst integendeel duidelijk op een wijze en alwetende Maker.
5. Het Bewijs van de Waarachtigen (zuivere metafysica)
Dit bewijs werd bedacht door de filosoof Ibn Sina en vervolgens verder uitgewerkt, zodat het werd opgepakt door de grote filosoof en commentator al-Farabi (260–339 n.H. / 872–950 n.Chr.), die vanwege zijn uitmuntendheid in het vereenvoudigen van de Griekse filosofie en het verzoenen ervan met het islamitische filosofische denken de eretitel “de Tweede Leraar” droeg. Daarna bereikte het bewijs de top van zijn rijpheid met Mulla Sadra. Het is een zeer bijzonder bewijs omdat het “a priori” is; dat wil zeggen dat het geen behoefte heeft aan het observeren van de natuur of het beschouwen van de beweging van lichamen en natuurkundige verschijnselen om zijn gevolgtrekking te maken, maar in plaats daarvan de werkelijkheid van het bestaan zelf overdenkt.
Het bewijs vertrekt vanuit een zuiver verstandelijke gedachte: we weten met zekerheid dat er een werkelijk bestaan is in deze wereld en dat we ons niet in een absoluut niets bevinden. Dit concrete bestaan dat de horizon vult, is ofwel volledig en onafhankelijk in zichzelf — het Noodzakelijk ZijnNoodzakelijk Zijn — uitgesproken ‘WAA-jib al-wu-JOOD’ — واجب الوجود In de islamitische filosofie de werkelijkheid waarvan het bestaan niet afhankelijk is en waaruit alle afhankelijke dingen bestaan ontvangen. — ofwel gebrekkig en afhankelijk van iets anders, wat het contingente wezen is.
Als dit bestaan noodzakelijk en zelfgenoegzaam is, dan is het gezochte onmiddellijk vastgesteld en komen we bij de eerste bron uit door louter het begrip van het bestaan te overdenken. En als het bestaan dat wij zien gebrekkig en behoeftig is, dan brengt het begrip van afhankelijkheid en behoefte noodzakelijkerwijs het bestaan met zich mee van een andere partij, zelfgenoegzaam en onafhankelijk, waarop dit gebrekkige bestaan steunt; want het is rationeel niet te bevatten dat er een bungelende schakel zou bestaan zonder een werkelijke, onafhankelijke wortel waarop hij verankerd is. In beide gevallen leidt de loutere beschouwing van de werkelijkheid van het bestaan ons rechtstreeks naar de erkenning van de Eerste Noodzakelijke, zelfgenoegzaam in Zijn essentie.
6. Het bewijs uit de kwalitatieve opgang en de uitstroming van volmaaktheid
Dit bewijs werd behandeld en verdiept in de literatuur van de latere islamitische filosofie, en specifiek binnen de school van de Transcendente filosofieTranscendente filosofie — uitgesproken ‘al-HIK-ma al-mu-ta-AA-li-ya’ — الحكمة المتعالية De school van Mulla Sadra, die rationele filosofie, koranische theologie en spiritueel inzicht samenbrengt.. Het snijdt krachtig door de debatten van de kennisfilosofie en door de wetenschappelijke antwoorden op de materialistische leerstellingen en het sociaal-darwinisme door de eeuwen heen.
Het bewijs vertrekt vanuit het waargenomen schouwspel van de graden van de wezens in onze wereld, waar we een duidelijke kwalitatieve opgang en ontwikkeling opmerken. We beginnen bij de levenloze materie — de stomme, roerloze substantie — en stijgen dan op naar de plant, die leven en groei bezit, vervolgens naar het dier, waaraan het vermogen tot gewaarwording en willekeurige beweging is toegevoegd, en ten slotte naar de mens, die met verstand, denkend bewustzijn en geest aan de top troont.
De hier gevestigde rationele regel luidt dat “wie iets mist, het niet kan geven”. De roerloze, stomme materie bezit op zichzelf niet de volmaaktheid van het leven, noch de volmaaktheid van het bewustzijn of het rationele denken. Bijgevolg kan de omzetting van levenloze materie in een levend wezen dat denkt en zich van zijn eigen bestaan bewust is, geen louter kwantitatieve opeenhoping en willekeurige botsing van deeltjes stomme materie zijn, want de materie bezit deze eigenschappen niet om ze aan zichzelf te schenken. Deze kwalitatieve sprongen en de nieuw ontstane volmaaktheden in het universum betekenen dat er een “uitstromende oorzaak” is die buiten de grenzen van de materie ligt, die de volmaaktheid van leven en bewustzijn in act bezit en deze eigenschappen over de materie uitstort telkens wanneer die erop voorbereid en er gereed voor is om ze te ontvangen — wat het bestaan bewijst van een volmaakte, absolute bron voor elke volmaaktheid in deze wereld.
Conclusie
Door dit overzicht van de bewijzen — van ontstaan, beweging en contingentie tot ordening en zuiver rationele bezinning op het bestaan en de volmaaktheid — wordt ons duidelijk dat de menselijke geest niet al zijn vertrouwen in één enkel argument heeft gesteld. De denkers hebben door de geschiedenis heen, afkomstig uit de verschillende menselijke, islamitische en westerse scholen, een geïntegreerd netwerk van bewijzen gevormd dat beantwoordt aan elk niveau van het menselijke denken. Wie geneigd was tot de natuurwetenschappen en de natuurkunde vond de bewijzen uit ontstaan, beweging en ordening; en wie met zijn geest opsteeg tot de metafysische abstractie vond de bewijzen uit contingentie en noodzakelijkheid, en het Bewijs van de Waarachtigen. Al deze wegen komen samen op één punt: het universum heeft een eerste bron, onafhankelijk en noodzakelijk in het bestaan, waaruit alle werkelijkheden voortstromen.
Maar hoe beschrijven de filosofen de wezenlijke eigenschappen van dit Noodzakelijke Zijn? En hoe moet het vraagstuk van de veelheid en de filosofische eenheid worden opgelost? En moet het Noodzakelijke Zijn vrij worden verklaard van lichamelijkheid en vorm? Deze vragen openen de volgende fase van het onderzoek.